Gerechtelijke jeugdhulp

Optreden jeugdrechter

De regeling omtrent de gerechtelijke jeugdhulp is opgenomen in hoofdstuk 11 van het Decreet Integrale Jeugdhulp. Het openbaar ministerie (= parket, = procureur des konings) is de enige die de jeugdrechter kan inschakelen door een minderjarige en de ouders op te roepen, te dagvaarden. De jeugdrechter neemt in twee gevallen kennis van verontrustende situaties.

In de eerste plaats kan de jeugdrechter gevat worden via een “gewone” vordering, met name wanneer er sprake is van een verontrustende situatie en vrijwillige jeugdhulpverlening niet meer mogelijk is. Voordat men kan overstappen naar de gerechtelijke jeugdhulp is het wel vereist dat alles in het werk werd gesteld om vrijwillige jeugdhulp te realiseren, dat mensen de nodige hulp aanvaarden. Concreet betekent dit dat het parket eerst een beroep moet doen op de gemandateerde voorziening (GV). Als jeugdhulpaanbieders gemotiveerd inschatten dat ze zelf niet langer de ontwikkelingskansen of de integriteit van de minderjarige of van de gezinsleden kunnen beschermen, richten ze zich tot een GV. Er zijn twee soorten GV bevoegd om een inschatting te maken over de maatschappelijke noodzaak tot jeugdhulp: het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) en het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (OCJ).

De GV onderzoekt of het in verontrustende situaties nodig is om gedwongen hulpverlening op te starten. Men spreekt van verontrustende situaties wanneer de ontwikkelingskansen van een minderjarige zijn bedreigd of wanneer de (psychische, fysieke of seksuele) integriteit van de minderjarige is aangetast. De GV zal in situaties van maatschappelijke noodzaak  “aanklampen” en proberen de gepaste hulpverlening tot stand te brengen. Pas in het geval dat de betrokken partijen (ouders en/of minderjarige) dan nog steeds weigeren om de voorgestelde hulpverlening te aanvaarden of als men niet meewerkt aan het onderzoek, kan de gemandateerde voorziening de zaak doorverwijzen naar het jeugdparket.

Daarnaast kan een dossier ook bij de jeugdrechter aanhangig worden gemaakt door middel van een “hoogdringende” vordering. Het parket kan de jeugdrechter via deze weg vorderen indien voldaan is aan drie cumulatieve voorwaarden:

  • Een gerechtelijke maatregel is dringend noodzakelijk.
  • Er zijn voldoende aanwijzingen dat de minderjarige onmiddellijk beschermd moet worden tegen een vorm van lichamelijk of geestelijk geweld, letsel of misbruik, lichamelijke of geestelijke verwaarlozing of nalatige behandeling, mishandeling of exploitatie, met inbegrip van seksueel misbruik.
  • Het verlenen van vrijwillige jeugdhulpverlening is niet meteen mogelijk omdat de vereiste instemmingen niet werkelijk zijn verkregen.

De maatregelen die de jeugdrechter kan opleggen na een “gewone” vordering in het kader van een verontrustende situatie, zijn opgenomen in artikel 48 van het decreet integrale jeugdhulp. Het gaat om:

  • Pedagogische richtlijn verstrekken
  • Onder toezicht stellen van de sociale dienst gerechtelijke jeugdhulp
  • Contextbegeleiding bevelen
  • Opvoedend project opleggen
  • Bezoek aan een ambulante voorziening opleggen
  • Zelfstandig wonen
  • Op kamers laten wonen
  • Begeleiding onthaal- en oriëntatiecentrum
  • Begeleiding observatiecentrum
  • Toevertrouwen aan een pleegzorger
  • Plaatsing in een open inrichting
  • Plaatsing in een gesloten inrichting
  • Plaatsing in een psychiatrische instelling

Vroeger beschikte de jeugdrechter binnen de procedure van hoogdringendheid enkel over uit huis plaatsingsmaatregelen. Voortaan kan de jeugdrechter binnen de procedure van hoogdringendheid ook tot de ambulante en mobiele werkvormen verplichten, met uitzondering van de pedagogische richtlijn en het onder toezicht stellen van de sociale dienst.

Geschikte hulp die aanvaard wordt, heeft altijd voorrang op gedwongen hulpverlening, zelfs bij hoogdringendheid. Artikel 54 van het decreet bepaalt uitdrukkelijk de mogelijkheid om vanuit een lopende hoogdringende procedure opnieuw over te stappen naar de vrijwilligheid. De sociale dienst onderzoekt samen met de betrokken partijen de mogelijkheden om vrijwillige hulpverlening te organiseren. Is de gepaste hulpverlening gevonden, stemmen alle betrokkenen er voldoende mee in en is de verontrusting onder controle, dan meldt de consulent dit aan het parket en aan de jeugdrechter. De jeugdrechter beëindigt dan zijn maatregel en sluit het dossier af.

Met deze bepaling wordt de voorrang van de vrijwillige hulpverlening ten aanzien van de gerechtelijke hulpverlening opnieuw benadrukt. Indien er zich na enige tijd opnieuw een situatie van verontrusting voordoet zal de jeugdrechter opnieuw kunnen tussenkomen via een gewone vordering (na passage langs de GV die overmaakt aan het parket indien nodig) of op basis van hoogdringendheid (via het parket) .

 

Bron: Tijdschrift voor Jeugd- en kinderrechten, publicatie 02/11/2015 - http://www.jeugdenkinderrechten.be/?action=artikel_detail&artikel=436
Laatste aanpassing: 03/11/2015