Gemandateerde voorzieningen

Gemandateerde voorzieningen in de integrale jeugdhulp hebben van overheidswege het mandaat om onderzoek te verrichten in verontrustende situaties en om bij ernstige verontrusting het parket en de jeugdrechtbank in te schakelen. Elke Vlaamse regio telt twee gemandateerde voorzieningen: het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg (met 5 lokale adressen) en het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (1 adres).

  • Wat is het verschil tussen een aanmelding bij de toegangspoort en bij een gemandateerde voorziening? Het gaat in beide gevallen toch altijd om een verontrustende situatie. Wanneer moeten we dan het A-document en het M-document gebruiken?

    Dat is een heel belangrijke vraag: het is net met dat onderscheid dat iedereen moet leren omgaan.

    • Als je op zoek bent naar niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp en het cliëntsysteem stapt daarin mee (zelfs bij verontrusting), dan ga je (met het A-doc of aanmeldingsdocument) naar de intersectorale toegangspoort en niet naar de gemandateerde voorziening (ook als het dan gaat om aanbod uit een BJB-voorziening gaat).
    • Als je te maken hebt met een verontrustende situatie en die gaat boven jouw mogelijkheden, dan kan je ofwel een consult vragen aan een gemandateerde voorziening of kun je bij de gemandateerde voorziening een aanmelding doen (M-doc of motivatiedocument). Die vraag aan de gemandateerde voorziening kan, maar hoeft niet, samen gaan met een vraag naar niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp.
      • Merk op. Zie onder de tab: het onderscheid tussen de GV OCJ en de GV VK.

  • In elke regio (provincie) zijn er twee instanties waar men kan aankloppen om zeer ernstige verontrusting aan te melden: het OCJ en het VK. Het is in eerste instantie aan de hulpverlener zelf om uit te maken of hij zich tot het VK richt omwille van kindermishandeling of naar het OCJ omwille van de problematische leefsituatie.

    • De Ondersteuningscentra Jeugdzorg onderzoeken bij elke aanmelding van een verontrustende opvoedingssituatie van een minderjarige of het noodzakelijk is om van overheidswege hulp op te starten of verder te zetten.
    • Het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling blijft zijn reguliere werking (1+2) verderzetten en krijgt daarnaast ook een ‘gemandateerde rol’ (3):
      1. Sensibilisering, advisering, coaching, coördinatie, diagnostiek en hulpverlening bij (een vermoeden van) kindermishandeling
      2. Het ondersteunen van het meldpunt 1712
      3. Het VK schakelt zich naast de reguliere werking ook in in een procedure ‘maatschappelijke noodzaak’ en biedt bij kindermishandeling consult, onderzoek en casemanagement.
        • In wezen komt het er op neer dat de centra binnen deze procedure zullen onderzoeken of het noodzakelijk is dat er voor de aangemelde gezinnen (bijkomende) aanklampende hulp geïnstalleerd wordt, ook al blijken ouders of opvoedingsverantwoordelijken hier niet toe bereid.
        • Binnen de vertrouwenscentra is deze procedure er in eerste instantie voor hulpverleners die menen dat minderjarigen in onveiligheid verkeren op lichamelijk, psychisch en/of seksueel vlak, m.a.w. slachtoffer zijn van kindermishandeling en ouders deze bezorgdheid onvoldoende ernstig nemen.

    OCJ-VK

  • Jeugdhulpaanbieders kunnen ook terecht bij het OCJ met een consultvraag. Deze consultfunctie is erop gericht om te informeren over de werking van het OCJ, om de verontrusting helder te krijgen en om na te gaan welke stappen er nog gezet kunnen worden alvorens een aanmelding te doen. Het OCJ bespreekt de situatie met de hulpaanbieder en geeft advies over mogelijke verdere stappen. Het consult bevat geen formeel oordeel over maatschappelijke noodzaak maar kan wel adviseren om aan te melden bij een gemandateerde voorziening. De verantwoordelijkheid voor de opvolging van de cliënt en het al dan niet nemen van volgende stappen blijft steeds bij de betrokken hulpverlener die consult vraagt. Consultvragen kunnen anoniem gesteld worden en leiden enkel tot een aanmelding indien de consultvrager dit zélf beslist. De consultvrager is dus in alle gevallen ‘eigenaar’ van het gekregen advies.

    Ook het VK heeft in zijn werking als GV rond kindermishandeling een consult-functie.

  • De gemandateerde voorzieningen komen in contact met verontrustende opvoedingssituaties en kindermishandeling via aanmeldingen met een motivatie-document (M-doc). Na een gericht onderzoek betreffende de maatschappelijke noodzaak kunnen zij via een aanmeldingsdocument (A-doc) minderjarigen in een VOS aanmelden aan de ITP. Zij doen deze aanmelding dan als een MDT. Via de jeugdhulpregie van de ITP worden deze jeugdhulpvragen ter uitvoering van een of andere begeleiding toegewezen aan de organisaties die jeugdhulp aanbieden (= jeugdhulpaanbieders).

    De GV’s kunnen de begeleiding door de jeugdhulpaanbieders op twee verschillende wijzen opvolgen. Via observerend casemanagement en via interveniërend casemanagement.

    Wat is het verschil tussen oCM en iCM bij de gemandateerde voorzieningen OCJ en VK?

    Merk op: dit onderscheid tussen observerend en interveniërend casemanagement wordt opgeheven vanaf 01/07/2017. Vanaf dan zal alle casemanagement van de gemandateerde voorzieningen georganiseerd worden zoals nu het Interveniërend Casemanagement.

    1. Observerend Casemanagement (zie schema onderaan) 

    Binnen het Observerend Casemanagement gaat de cliënt verder op weg met de hulpverlener, zonder actieve inmenging van de GV. De GV initiëert (het voortzetten van) de hulpverlening en bepaalt het kader van de hulpverlening. Het hulpverleningstraject wordt autonoom bewandeld door de cliënt en de hulpverlening waarbij het zwaartepunt van de verantwoordelijkheid bij de hulpverlener ligt. De hulpverlener heeft de plicht om de GV te informeren bij belangrijke gebeurtenissen in de hulpverlening en de levensomstandigheden van de cliënt. Deze informatieplicht wordt geformaliseerd in een observatie-overeenkomst tussen GV, cliënt, aanmelder/betrokken hulpaanbieder. Er worden afspraken gemaakt over de modaliteiten van evaluatie: wanneer, frequentie en intensiteit. De omschrijving van de informatieplicht maakt duidelijk dat de hulpverlener samen met de cliënt verantwoordelijk is voor het hulpverleningstraject. Concreet houdt dit in dat de GV zelf geen contact opneemt maar zich laat informeren. De hulpaanbieder heeft wel de plicht (!) en verantwoordelijkheid om de GV op de hoogte te brengen van belangrijke gebeurtenissen die een invloed kunnen hebben op het oordeel rond de Maatschappelijke Noodzaak tot hulpverlening.

    2. Interveniërend Casemanagement (zie schema onderaan) 

    In het iCM neemt de GV een interveniërende positie in. Ze organiseert (het voortzetten van) de hulpverlening en bepaalt het kader van de hulpverlening. De GV blijft op het voorplan en maakt een actieve driehoek GV-cliëntsysteem-hulpverlener. De mate van actieve opvolging door de GV wordt concreet omschreven in het hulpverleningsprogramma. Een actieve triade (cliënt-hulpverlening-gemandateerde voorziening) is nodig om buiten de gerechtelijke context te blijven en veiligheid te waarborgen. Een aanklampend en motiverend werken is noodzakelijk omdat er geen voldoende expliciete hulpvraag is bij de cliënt. De GV is m.a.w. een actieve partner in het hulpverleningstraject en dit wordt expliciet en concreet gemaakt. Dit kan diverse vormen aannemen afhankelijk van de casus en kan ook wijzigen gedurende het hulpverleningstraject. Uiteraard blijft de plicht om de GV te informeren bij belangrijke wijzigingen in de hulpverlening of het leven van de cliënt gelden.

    oCM

    iCM

    Bron: https://jongerenwelzijn.zendesk.com/hc/communities/public/questions/200816127-Wat-is-het-verschil-tussen-observerend-en-interveni%C3%ABrend-casemanagement-bij-de-gemandateerde-voorzieningen

  • OCJ’s

     

    VK

 

Bron: www.kindermishandeling.be en www.jongerenwelzijn.be

Laatst bijgewerkt op 21/07/2016

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vul de CAPTCHA code in. * Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.