R. op duidelijke informatie

Recht op duidelijke informatie

Een minderjarige die hulp krijgt, heeft recht op duidelijke en volledige informatie. Hulpverleners moeten die spontaan geven en mogen niet wachten tot de minderjarige daar zelf om vraagt. Alle info moet klaar en duidelijk zijn zodat een jongere ze kan begrijpen. Heldere communicatie houdt rekening met de leeftijd, het ontwikkelingsniveau, de geestelijke toestand, de persoonlijkheid en vroegere ervaringen van de minderjarige. Het spreekt voor zich dat een gesprek met een kleuter anders verloopt dan met een tiener. Anderstalige kinderen hebben recht op informatie in hun taal.

  • Een minderjarige die hulp krijgt, heeft recht op informatie over

    • de aard en de vermoedelijke duur van de hulp;
    • de diagnose van het probleem;
    • de mogelijke alternatieven op vlak van hulpverlening;
    • de mogelijke gevolgen van bepaalde keuzes;
    • afspraken en regels;
    • de kostprijs;
    • zijn rechten en plichten;
    • de rechten en plichten van de hulpverlener;
    • mogelijke contacten van de hulpverleners met ouders of familie.

    Een kind dat geplaatst wordt, heeft het recht te weten waarom hij beter in een instelling verblijft dan thuis. Hij moet weten hoe lang dat kan duren, of hij bezoek mag ontvangen, hoeveel zakgeld hij krijgt, wie hem begeleidt, of hij zijn begeleider kan kiezen, naar welke school hij kan gaan, wat er van hem verwacht wordt, hoe zijn pleeggezin er uitziet, hoe hij klacht kan indienen, enzovoort.
    Uitzonderlijk oordeelt de hulpverlener dat de minderjarige niet alles moet weten, bijvoorbeeld omdat het extra leed zou teweeg brengen of hem onnodig in verwarring zou brengen. Mits een motivering in het dossier, mag de hulpverlener die informatie tijdelijk achterhouden in het belang van de minderjarige. (Dit is een agogische exceptie.) Hij moet die informatie dan wel geven aan de vertrouwenspersoon die het kind bijstaat.

    Voorbeelden:

    • Na het overlijden van zijn moeder wordt Jasper depressief. Zijn vader gaat met hem naar een Centrum voor Geestelijke Gezondheidszorg. De psycholoog komt te weten dat de overleden vrouw niet de biologische moeder van het kind was. Hij kan oordelen dat het niet in het belang van het rouwende kind is om die informatie meteen mee te delen.
    • Liesbeth leeft op erg gespannen voet met haar vader. De hulpverlener komt te weten dat de vader vroeger ooit in de gevangenis zat. Maar dat is echt iets van vroeger en speelt niet mee in het huidige conflict. Hij oordeelt dat het de zaken zou bemoeilijken, moest hij dat verhaal nu aan de dochter vertellen. Als Liesbeth bijstand krijgt van iemand, moet de hulpverlener het wel aan die persoon vertellen.

  • Ouders moeten in staat zijn hun ouderlijk gezag uit te oefenen en beslissingen te nemen over de opvoeding van hun kind. Daarom hebben zij ook recht op duidelijke informatie (in hun taal) over:

    • de hulp die hun kind krijgt;
    • de verschillende mogelijkheden die er zijn
    • wat er van hen verwacht wordt.

    Wanneer de dagelijkse zorg van de minderjarige opgenomen wordt door een opvoedingsverantwoordelijke, heeft deze natuurlijk ook nood aan informatie die van belang is om de minderjarige zo goed mogelijk te ondersteunen.

    Dat betekent echter niet dat de hulpverlener alles tegen ouders of opvoedingsverantwoordelijken zegt wat hun kind hem vertelt. Hij is immers gebonden door zijn beroepsgeheim. Dit betekent dat alles wat de hulpverlener verneemt naar aanleiding van de hulpverlening vertrouwelijk is en niet mag besproken worden met iemand anders dan de cliënt of diegene die de informatie doorgaf.
    Ook wat minderjarige cliënten vertellen is dus vertrouwelijk en kan niet zomaar besproken worden met derden, ook niet met hun ouders of opvoedingsverantwoordelijken.

    Wanneer een kind onbekwaam is, mag een hulpverlener enkel vertrouwelijke informatie doorgeven aan zijn ouders of opvoedingsverantwoordelijken wanneer dit ‘in het belang van het kind’ is én wanneer dat nodig is voor de opvoeding van het kind. Wanneer de minderjarige bekwaam is, mag een hulpverlener enkel vertrouwelijke informatie doorgeven aan zijn ouders of  opvoedingsverantwoordelijken wanneer er sprake is van een noodtoestand en de ouders of opvoedingsverantwoordelijke deze noodtoestand mee kunnen helpen stoppen.

    Als uw kind in gevaar is, bijvoorbeeld als het met zelfmoord dreigt, kan de hulpverlener oordelen dat het in het belang van het kind is u (of de opvoedingsverantwoordelijke) daarover aan te spreken. Zelfs wanneer het kind gevraagd heeft om dit niet te doen.

  • Beroepsgeheim en vertrouwelijke informatie

    Elke hulpverlener is gebonden door het beroepsgeheim. Daardoor weet de minderjarige dat wat hij vertelt niet zomaar mag worden verder verteld of ter inzage gegeven. De hulpverlener praat echter ook met andere mensen die in het dossier voorkomen – ouders, opvoedingsverantwoordelijken, leerkrachten, andere jongeren, enzovoort. De hulpverlener moet dan vaak afwegen wat hij aan iemand vertelt of laat inkijken en wat niet.

    Daarnaast zijn er ook enkele wettelijke, of algemeen erkende uitzonderingen op het beroepsgeheim die het de hulpverlener mogelijk maken om vertrouwelijke informatie met derden te bespreken.

    Wanneer een hulpverlener weet dat er iemand in groot gevaar verkeert, bijvoorbeeld dat een minderjarige mishandeld of misbruikt wordt, is hij verplicht om actie te ondernemen om de gevaarsituatie aan te pakken. Hij kan zijn beroepsgeheim dan doorbreken omwille van een noodtoestand om derden, bv. andere hulpverleners, de politie, ouders,… die kunnen helpen bij de situatie te betrekken.

    Een hulpverlener die een getuigenis moet afleggen voor de rechter mag vertrouwelijke informatie doorgeven.

    Om correct met vertrouwelijke informatie om te gaan:

    • moet de hulpverlener altijd vertrekken van het belang van de minderjarige;
    • weegt hij altijd af welke informatie vertrouwelijk moét blijven, en wat anderen mogen weten;
    • vertelt hij altijd aan de minderjarige en aan andere betrokkenen wat hij aan wie doorvertelt of laat inkijken.

    Een voorbeeld:

    • Bij gezinsbegeleiding wordt zowel de minderjarige als het gezin begeleid. Gepaste hulp gaat vaak gepaard met een confrontatie van meningen. De minderjarige en de andere gezinsleden willen niet altijd alles rechtstreeks tegen elkaar zeggen. Als de hulpverlener dat wel doet, moeten de betrokkenen daar over ingelicht worden.

    Indien een hulpverlener met collega’s praat, mag hij enkel gegevens doorgeven die belangrijk zijn voor de hulpverlening. Enkele voorbeelden:

    • In de Centra Geestelijke Gezondheidszorg, de Centra voor Leerlingenbegeleiding, de Centra voor Kinderzorg en Gezinsondersteuning en de Vertrouwenscentra Kindermishandeling wordt altijd in team gewerkt. Dus daar wordt relevante informatie m.b.t. cliënten vaak onder elkaar besproken.
    • Wanneer er een cliëntoverleg* georganiseerd wordt, zal er onder toepassing van het gedeeld beroepsgeheim vertrouwelijke informatie kunnen besproken worden tussen de minderjarige, zijn ouders en/of opvoedingsverantwoordelijken, andere personen uit de omgeving van de minderjarige en hulpverleners.
    • De medewerker van de Toegangspoort* verwijst een gezin door naar een dienst Pleegzorg. Hij moet dan ook informatie doorgeven over de problemen in het gezin.
    • Wanneer er mogelijk sprake is van een verontrustende situatie en een hulpverlener zich zorgen maakt over de veiligheid van een kind, kan hij contact opnemen met een van de gemandateerde voorzieningen, nl. het Vertrouwenscentrum Kindermishandeling (VK) of het Ondersteuningscentrum Jeugdzorg* (OCJ). Hij kan dan, ook zonder toestemming van de minderjarige of zijn ouders, vertrouwelijke informatie doorgeven zodat de gemandateerde voorziening haar werk kan doen. Het VK en het OCJ mogen dan bovendien informatie verzamelen over de betrokkenen zonder hun toestemming en zonder hen daarvan onmiddellijk op de hoogte te brengen.

    Een minderjarige die bekwaam is, mag ervan uitgaan dat de hulpverlener geen vertrouwelijke informatie doorgeeft aan zijn ouders (of opvoedingsverantwoordelijken). In geval van een noodtoestand kan de hulpverlener ouders of opvoedingsverantwoordelijken wel inlichten zodat zij kunnen helpen om de noodtoestand aan te pakken.

    Voorbeelden:

    • Els is 14 jaar en vreest dat ze zwanger is. Ze wil met iemand in vertrouwen kunnen praten en klopt aan bij het CLB. Els wil niet dat haar ouders weten wat er aan de hand is. Kan je als ouder verwachten dat het CLB je opbelt en je op de hoogte brengt van het probleem van je dochter? Het antwoord op die vraag hangt af van hoe de hulpverlener de situatie inschat. Dat ze op eigen initiatief naar het CLB komt, kan voor de hulpverlener een aanwijzing zijn dat Els in staat is om op een verstandige manier voor zichzelf te zorgen. Hij kan samen met haar de situatie bespreken, informatie over veilige anticonceptie geven of over wat ze kan doen als ze ongewild zwanger is, enzovoort. Hij kan ook dieper ingaan op haar keuze om tegen haar ouders te zwijgen.
    • Na het gesprek neemt de hulpverlener, in overleg met het CLB-team, een besluit.
      • Hij kan besluiten dat Els, ondanks haar jonge leeftijd toch in staat is om zelf te beslissen of ze haar ouders op de hoogte brengt of niet.
      • Hij kan ook besluiten contact te nemen met haar ouders, ook al is Els ouder dan 12 jaar en dus bekwaam. Maar op haar leeftijd gaat het om aanranding, een omstandigheid waarvoor ze niet genoeg draagkracht heeft, vindt hij. In dit geval moet hij aan Els uitleggen waarom hij haar ouders inlicht.

    Soms is niet de informatie vertrouwelijk, wel de identiteit van de persoon die ze gaf. Iemand meldt een geval van kindermishandeling bij een Vertrouwenscentrum. Hij heeft er geen probleem mee dat die informatie aan de betrokkenen wordt meegedeeld, maar wil liever niet dat ze weten van wie die informatie komt. Dat moet de hulpverlener respecteren.

Deze pagina werd geplaatst op 22/07/2016.

Info naar de overheidsbrochure 'De rechten van kinderen in de integrale jeugdhulp'(02/2014).