R. op inspraak en participatie

Elke minderjarige die hulp krijgt, heeft recht op inspraak. Hoe meer hij betrokken wordt bij de hulp die hij krijgt, hoe beter.

  • en minderjarige mag altijd zijn mening geven over de hulp die hij krijgt. Hij mag er ook altijd over meepraten en vragen om bij te sturen. Indien hij bekwaam is, mag hij zelfs meebeslissen.
  • In een instelling heeft hij inspraak over de praktische organisatie. Voorbeelden zijn het huishoudelijk reglement of de afspraken in de leefgroep.
  • Als een minderjarige niet in staat is om zijn eigen mening te formuleren, moet hij daarbij geholpen worden.

Hulpverleners moéten naar de minderjarige luisteren. Wat niet wil zeggen dat de minderjarige altijd zijn zin moet krijgen. In een instelling moet er een procedure voor inspraak zijn. In de mate van het mogelijke moet een hulpverlener altijd ‘passend gevolg’ geven aan de mening van de minderjarige. Als hij die mening niet volgt, moet hij dat voldoende motiveren.

Ook ouders en opvoedingsverantwoordelijken hebben recht op inspraak en participatie in de hulpverlening.

Voorbeeld:

  • Als uw kind geplaatst wordt, hebt u inspraak in de opvoeding en het verloop van de plaatsing. Wanneer uw kind niet in staat is zijn recht op inspraak zelf uit te oefenen, dan hebt u als ouder het recht dat in zijn plaats te doen. U hebt dan ook recht op alle informatie die nodig is om beslissingen te kunnen nemen over de opvoeding van uw kind.
Deze pagina is geplaatst op 22/07/2016.
Info naar de overheidsbrochure 'De rechten van kinderen in de integrale jeugdhulp'(02/2014).