R. op instemming met de hulp

Een minderjarige die hulp nodig heeft én die bekwaam is, moet daarmee instemmen. Niemand kan hem verplichten zich te laten helpen (behalve de rechter). De minderjarige moet altijd duidelijk weten hoe hij geholpen kan en zal worden. Enkel wie goed op de hoogte is, kan al dan niet instemmen met de hulp die hij krijgt.

Naast het recht om in te stemmen met de hulp, heeft de minderjarige ook het recht om bepaalde hulp te weigeren, én om te kiezen door wie hij geholpen wil worden.

  • Wanneer een rechter hulp oplegt, moét de minderjarige dat aanvaarden. Voorbeelden:
    • De mama van Pieter en Ann is opgenomen in het ziekenhuis. Er zijn al langer problemen in het gezin en papa kan het niet meer aan om altijd alleen voor de kinderen te moeten zorgen. De jeugdrechter beslist dat de kinderen tijdelijk geplaatst worden.
    • De ouders van Kimberly zijn uit elkaar en maken veel ruzie over de omgangsregeling. Uiteindelijk beslist de rechter dat het bezoekrecht wordt uitgevoerd in een neutrale bezoekruimte. Kimberly moet daar om de veertien dagen naartoe om haar vader te zien.
  • De minderjarige moet rekening houden met wettelijke beperkingen. (Een voorbeeld: Hulp bij het CLB: Hij kan alleen terecht in het CLB dat verbonden is aan zijn school.)
  • Als er geen keuze is, valt er ook niet te kiezen. Een voorbeeld:
    • Als hij in een leefgroep in een instelling zit en er zijn twee begeleiders, dan mag hij kiezen aan wie hij hulp vraagt. Als er maar één begeleider per leefgroep is, gaat dat niet.
  • Een hulpverlener is verplicht om in te grijpen wanneer de veiligheid van de minderjarige in het gedrang is. Hij kan dan zelf hulp bieden of iemand anders inschakelen, ook al vraagt de minderjarige daar niet om. Bv.:
    • Een kind met veel blauwe plekken vertelt aan de psycholoog van een Centrum Algemeen Welzijnswerk (CAW) dat zijn stiefvader hem vaak slaat. De psycholoog hoeft niet meteen het gerecht in te schakelen. Hij moet het kind wel helpen en bijvoorbeeld de ouders aanspreken of contact nemen met een Vertrouwenscentrum Kindermishandeling.
  • Naast de toestemming van de bekwame minderjarige, is ook de toestemming van zijn ouders, of wanneer de ouders geen actieve rol spelen in de hulpverlening aan de minderjarige van de opvoedingsverantwoordelijken, nodig vooraleer er buitengerechtelijke hulp kan geboden worden. Alleen wanneer de hulp die de bekwame minderjarige vraagt, zich uitdrukkelijk enkel tot de minderjarige richt, kan hulp geboden worden zonder de toestemming van zijn ouders (of opvoedingsverantwoordelijken). De hulpverlener probeert wel toe te werken naar het betrekken van de context* van de minderjarige.
    • De 16-jarige Giovanni wil niet meer thuis wonen omdat hij niet kan opschieten met de nieuwe partner van zijn moeder. Om residentiële jeugdhulp te kunnen aanbieden, is de toestemming van Giovanni en van zijn moeder nodig.
    • De 13-jarige Piet klopt aan bij het JAC omdat hij zich niet zo goed voelt in zijn vel, en samen met de medewerker van het JAC wil bekijken waar hij terecht kan voor hulp. Het JAC zal Piet kunnen helpen zonder toestemming van zijn ouders.
  • Wanneer ouders of opvoedingsverantwoordelijken samen met bekwame kinderen, of in de plaats van onbekwame kinderen, moeten beslissen, moeten zij altijd het belang van het kind voor ogen houden. Alvorens ze instemmen met de hulp, moeten zij alle informatie krijgen die ze nodig hebben om een keuze te maken.
    • Uw kind heeft een verstandelijke beperking en heeft aangepaste hulp nodig. Daarover kan het kind niet zelf beslissen. U hebt dan recht op alle informatie over scholen, instellingen, therapieën, methodes, enzovoort, om zo het beste voor uw kind te kunnen kiezen.
Deze pagina is geplaatst op 22/07/2016.
Info naar de overheidsbrochure 'De rechten van kinderen in de integrale jeugdhulp'(02/2014).