Samenwerking met de jeugdrechtbank

De samenwerking met de jeugdrechtbank

De behandeling van aanvragen door de jeugdrechter en van de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdhulp, verlopen in principe gelijkaardig als die van hulpvragen die overgemaakt worden door het team Indicatiestelling. Het gaat in die situatie niet om een voorstel dat geformuleerd wordt door de sociale dienst, maar wel om een beslissing van de jeugdrechter. Het gaat dus evenzeer om een Indicatiestellingsverslag (ISV), net als bij het team IS, waarin aangegeven staat welk type hulpverlening de jeugdrechter wenst in te zetten. De indicatiestelling die uitgevoerd wordt door de sociale dienst moet aan dezelfde kwaliteitsvoorwaarden voldoen als de indicatiestelling uitgevoerd door het team IS (zie hoger). De sociale dienst is concreet verantwoordelijk voor:

  • de opmaak en indiening van het indicatiestellingsverslag;
  • de communicatie met de Toegangspoort en met de minderjarige en zijn ouders/opvoedingsverantwoordelijken;
  • de opmaak van een jeugdhulpverleningsplan;
  • de coördinatie van de hulpverlening.

De samenwerking geldt zowel in dossiers waarin de jeugdrechtbank vonnist op basis van de problematische leefsituatie van de minderjarige (situaties van maatschappelijke noodzaak) als dossiers waarin de jeugdrechtbank vonnist op basis van feiten die een minderjarige heeft gepleegd (de situaties ‘misdrijf omschreven feit’).

Voor wat betreft de communicatie wordt er afgeweken van het principe dat elke beslissing gecommuniceerd wordt door de Toegangspoort aan de cliënt en de contactpersoon-aanmelder. Bij jeugdrechtbankdossiers communiceert het team jeugdhulpregie enkel rechtstreeks met de consulent van de sociale dienst gerechtelijke jeugdhulp. Die communiceert op haar beurt met de cliënt.

Een aparte aanpak vergen de procedures waarbij de jeugdrechter gevat is door hoogdringendheid. Bij een aanvraag volgens de procedure hoogdringendheid, zal de jeugdhulpregisseur moeten beginnen met de opmaak van een A-document (1e luik: identificatie), al dan niet in samenwerking met de consulent als die is aangesteld (de inhoud van het vonnis wordt niet mee ingebracht in het A-document).

Het aanbod dat de jeugdhulpregisseur zoekt om in te zetten, wordt bij voorkeur voor minimum voor 7 dagen aaneensluitend ingezet. De aanvraag krijgt ook automatisch de hoogste prioriteit (zie onder 5.6) waardoor de jeugdhulpregisseur het mandaat heeft om hulp effectief te laten opstarten.

De jeugdrechter neemt een maatregel voor 30 dagen (verlengbaar). Ondertussen wordt een onderzoek gevoerd naar de mogelijkheden voor vrijwillige hulpverlening door de sociale dienst van de jeugdrechtbank (uitzondering: Brussel, daar moet het OCJ/VK dit opnemen). Na de maatregel hoogdringendheid kan worden overgegaan naar een gewone maatregel. In die periode kan het Adocument verder worden uitgewerkt door de consulent. Er kan ook een oriëntering naar een typemodule diagnostiek (+ verblijf in functie van die diagnostiek) gebeuren die zich achter de Toegangspoort bevindt i.f.v. het invullen van een A-document, het uitvoeren van diagnostiek. Bij de overgang naar vrijwillige jeugdhulpverlening kan de sociale dienst voor de jeugdrechtbank een aanmelding doen van de minderjarige bij een gemandateerde voorziening om de (vrijwillige) jeugdhulpverlening mee op te volgen in observerend of interveniërend casemanagement.

Het maatregelenpakket dat de jeugdrechter kan inzetten in geval van hoogdringendheid is uitgebreid in het decreet Integrale Jeugdhulp (artikel 53). Het komt nu overeen met het maatregelenpakket dat 23 de jeugdrechter kan nemen bij een gewone vordering met uitzondering van de pedagogische richtlijn en het onder toezicht stellen van de sociale dienst.

Een mogelijk onderscheid tussen het ISV (van de sociale dienst voor gerechtelijke jeugdhulp) en de beschikking van de jeugdrechter is dat de geldigheidsduur van beide documenten niet noodzakelijk dezelfde is. Bij de overgang naar vrijwilligheid kan de jeugdhulpregisseur zich baseren op het ISV van de sociale dienst jeugdrechtbank om de hulp voort te zetten. De sociale dienst voor gerechtelijke jeugdhulp zal immers typemodules indiceren met een bepaalde geldigheidsduur. Die kunnen ook geldig gebruikt worden binnen de vrijwillige jeugdhulpverlening. Een voorziening kan na een gerechtelijke maatregel de hulpverlening dus laten verder lopen als het ISV nog geldig is en de jeugdhulpregisseur hiervoor een jeugdhulpverleningsbeslissing opmaakt. Dat kan zo nodig via een aanvraag ‘hernieuwde jeugdhulpregie’ door de voorziening in kwestie bij de jeugdhulpregie. De jeugdhulpregisseur kan dan beslissen om een meer beperkte geldigheidsduur toe te kennen aan de jeugdhulpbeslissing om binnen die termijn te verplichten tot een evaluatie.

Indien de jeugdrechter een combinatie van maatregelen oplegt, kan er in principe maar één maatregel op hetzelfde ogenblik van toepassing zijn. Maatregelen die wel gelijktijdig combineerbaar zijn, staan opgenomen in het Ministerieel Besluit.

Naast het gemoduleerde aanbod niet-rechtstreeks toegankelijke jeugdhulp, kan de jeugdrechter ook een maatregel opleggen die uitgevoerd wordt in een (gelijkgestelde) jeugdhulpaanbieder, met name: ziekenhuizen, schoolinternaten en voorzieningen buiten het Nederlandse taalgebied waarvoor een overeenkomst gesloten is met de Vlaamse Gemeenschap.

Bron: Werkingsprocessen in de intersectorale toegangspoort - versie okt. 2014

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vul de CAPTCHA code in. * Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.