Onthaal van jongeren

RT-CAW

caw_logo_Q

Het JAC (hulpaanbod vanuit de CAW’s) is een volwaardige hulpverlening, die vanuit vraagverheldering jongeren kan verwijzen naar andere hulpverlening, maar ook naar eigen krachtgericht verder gaan.

 

Het onderstaand schema geeft de verschillende functies aan.

 

 

Onthaal-CAW

 

  • Een eventueel gevolg van de vraagverheldering kan het aanleveren van directe hulp zijn. Dit kan in verschillende vormen gebeuren.

    1. Informeren

    De cliënt krijgt algemene, concrete en vrijblijvende informatie ter beschikking zonder dat de informatie getoetst is aan de persoonlijke situatie van de hulpvrager. CAW-visie: onthaal, een volwaardig hulpaanbod.

    2. Oriënterend adviseren

    De cliënt informeren en voorlichten, rekening houdend met zijn/haar persoonlijke situatie, aangeven van oplossingsperspectieven, keuzemogelijkheden en gedragsalternatieven vanuit de veronderstelling dat de cliënt zelf over voldoende competentie beschikt om de informatie juist te gebruiken, zonder dat er sprake is van een formele verwijzing. Het doel is dat de cliënt beschikt over meer kennis en daarmee een stevige basis heeft voor zijn inzichten, keuzes en gedragsalternatieven.

    3. Sociaal administratieve hulp

    Het aanbieden van sociaal administratieve hulp wat in de praktijk neerkomt op het (samen) invullen van formulieren.

    4. Verwijzen

    De cliënt wordt naar een externe dienst doorverwezen, de cliënt krijgt de coördinaten (adres en mogelijk contactpersoon) van de dienst waarnaar verwezen wordt, zonder dat het centrum actief tussenkomt.

    5. Toeleiden

    De cliënt is actief voorbereid (informeren, motiveren, steunen) en in contact gebracht met een externe (basis)voorziening.

  • 1. Praktische dienstverlening

    Het aanbieden van praktische hulp: vervoer, materieel (kledij, meubelen, verwarmingstoestellen), voeding (voedselpakket, sociaal restaurant), financieel (noodhulp), medisch (medicatie, voorbehoedsmiddelen) met als doel het oplossen van een praktisch probleem van de cliënt.

    2. Opvang

    Er dient een onderscheid gemaakt te worden tussen noodopvang (BBB), residentiële opvang en crisisopvang.

  • Vanaf het moment dat een begeleiding overwogen wordt, start de instapprocedure. We hebben reeds gesteld dat de vraagverheldering (we onderscheiden 3 niveaus) het cruciale begin is van elke vorm van hulpverlenende tussenkomst en dat psychosociale begeleiding niet kan opgestart worden zonder een voorafgaande vraagverheldering.

    Het instapgesprek (2de niveau van vraagverheldering) vormt de schakel tussen onthaal en begeleiding en wordt gedefinieerd als een proces van wederzijdse informatie-uitwisseling in functie van een (bredere en diepgaandere) vraagverheldering, verwachtingen, psychosociale diagnose en mogelijk hulpverleningsvoorstel (indicatiestelling), dat minstens plaats vindt op het moment dat een begeleiding overwogen wordt. Binnen de instapprocedure onderscheiden we 3 kernfuncties: psychosociale diagnostiek, de indicatiestelling en de hulptoewijzing.

    1. Psychosociale diagnose (dialogisch diagnosticeren)

    Het dialogisch diagnosticeren zijn die procesmomenten waarbij de sociaal werker en het cliëntsysteem samen op zoek gaan naar een helpende, herkenbare en werkbare herdefiniëring voor de ervaren klacht en naar een betekenisvolle en perspectiefbiedende analyse van het probleem. Dit begrip verwijst naar een veelheid van activiteiten die zich voornamelijk richten op drie afzonderlijke maar niet-isoleerbare doelen:

    • Samen met het cliëntsysteem (vaak in overleg met mantelzorg en andere professionele versterkers) een vooruitzicht krijgen op de concrete weg naar meer welzijn.
    • Samen met het cliëntsysteem een uitzicht ontwikkelen om op een meer bevredigende wijze te kunnen verder helpen.
    • Samen met het cliëntsysteem inzicht krijgen in de vaak complexe en steeds evoluerende psychosociale leefsituatie

     

    2. Indicatiestelling (hulpverleningsvoorstel)

    Indiceren betekent het vaststellen van de passende hulpverlening bij een gegeven psychosociale diagnose. Samen met de cliënt is er een onderbouwd oordeel gevormd over de vraag welk aanbod doelmatig zal zijn bij de gegeven psychosociale diagnose, welk doel dit zal moeten dienen en in welke vorm het moet aangeboden worden.

    3. Toewijzen

    Het gaat hier over een optimale koppeling tussen het hulpverleningsvoorstel en het feitelijk aanbod. De hulpverlener zal samen met de cliënt informatie inwinnen over de beschikbare hulpverleningsmogelijkheden, overleggen en onderhandelen tussen mogelijke hulpverleners en de cliënt actief betrekken bij de keuze van het hulpaanbod. Het verschil tussen enerzijds toewijzen (intern) en anderzijds verwijzen (zorgsectoren) en toeleiden (basisvoorzieningen) heeft te maken met mandaat. Dit heeft tot gevolg dat je alleen intern kan toewijzen (tenzij het is geregeld in een samenwerkingsovereenkomst) omdat je als onthaalmedewerker over het mandaat beschikt om dit te kunnen doen.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Vul de CAPTCHA code in. * Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.